Er is een fout opgetreden in dit gadget

dinsdag 28 oktober 2014

Sneak peeks uit mijn autobiografie: hoofdstuk 7

Het laatste, relatief korte hoofdstuk. Ik kijk terug op de eerste 45 jaar van mijn leven en alle vrouwen die in het boek de revue zijn gepasseerd. Wat heb ik geleerd uit mijn relatie met hen en wat neem ik daaruit mee voor de rest van mijn leven? Hoe zie ik de rest van mijn leven überhaupt voor me?

De titel van mijn autobiografie, 'Afscheid is nooit definitief', komt verschillende keren voorbij tijdens mijn reflecties in dit hoofdstuk.  En ik reflecteer aan een film uit 1988. De vaste bezoeker van dit blog weet direct de titel daarvan te roepen!



In het jaar 1988 krijg ik een cinematografische voorstelling van hoe mijn liefdesleven en seksleven zich zou gaan ontwikkelen. Dat weet ik nu in retrospectief. Ergens in de zomer van 1988 zie ik de film ‘The unbearable lightness of being’ van Philip Kaufmann voor het eerst. Het liefdesverhaal over Thomas en Tereza tegen de achtergrond van de Praagse Lente. Thomas is een losbol met vrouwen en versiert iedere vrouw die op zijn pad komt. Als reden geeft hij dat hij het leven ‘ondraaglijk licht vindt’. Tereza vindt zijn geflirt verschrikkelijk. Desondanks blijft ze van hem houden. Tegen het einde van de film, we zijn dan ver over de twee uur van de 170 minuten speeltijd, zijn ze eindelijk  gelukkig met elkaar. Eind goed al goed? Nee, want in de laatste scènes leren we dat ze beiden om het leven zijn gekomen door een eenzijdig auto-ongeluk. De remmen werkten niet meer.  



Ik kan me moeiteloos met Thomas vereenzelvigen. Niet dat ik het leven luchtig opvat. Integendeel. Ik kijk er met een veel te zwaarmoedige blik naar. Als ik mezelf eerder had geleerd zaken te relativeren, zou het mij heel wat makkelijker in mijn leven zijn afgegaan. Met relaties, met werk. Wat ik met Thomas gemeen heb, zijn de vele vrouwen in mijn leven. Het is niet iets dat ik bewust heb nagestreefd, al die verschillende seksueel getinte relaties. Zeker niet wanneer je de financiële kostprijs daarvan gaat berekenen. Die moet na 26 jaar zo langzamerhand de complete schuld van mijn vader bij zijn dood bedragen. Als het niet meer is. Anders dan bij hem het geval was, zit ik echter niet in de schulden. Thomas vond uiteindelijk zijn rust en geluk bij Tereza. Helaas voor hem, oké het is en blijft fictie natuurlijk, duurde dat niet lang. Of ik ooit het geluk en de rust bij een vrouw vind? Ik ga er niet vanuit. Roemeense date zal de kandidate niet meer zijn. Ook al blijft ze me mijn hele verdere leven lief. Andere kandidates zijn vooralsnog niet te bespeuren in mijn leven. ....



De verstandhouding met mijn moeder heeft zich langzamerhand gestabiliseerd. Ze zal mijn gedachtegang nooit begrijpen en dat blijft wederzijds. Haar hoop op mijn terugkeer naar Rotterdam verdwijnt nooit. Voor mijn vader heeft ze geen goed woord over. Dat vind ik normaal, gezien de schuldenberg. Ik zoek haar gemiddeld één keer in de vier weken op. Ze brengt dan steevast haar eigen dood ter sprake. ‘Weet je waar alle papieren liggen?’; ‘neem je nog spullen mee?; ‘ik zou niet weten wie je kunt vragen om het huis leeg te laten halen.’ Ja, dat wordt een grandioos probleem. Met die bekende ene linkerhand en een familie waar je geen reet aan hebt, kom ik niet ver. Ik zeg telkens dat ze wel 100 kan worden. Ze is nu 74. We hebben dus hopelijk nog even te gaan. Statistisch gezien, sterft zij eerder dan ik. Geen vader meer. Straks geen moeder meer. Kind van ouders die ik nooit heb begrepen. Zoon van ouders die mij tijdens hun leven niet konden vatten. Gelukkig is het altijd een wisselwerking van twee kanten geweest. Mijn jeugd, mijn relatie tot hen op latere leeftijd: het valt niet uit te vlakken. Zelfs niet na het overlijden van hen. Afscheid is nooit definitief.



Alleen op de wereld, daar ben ik trouwens niet bang voor. Ik ben altijd al een Einzelgänger geweest. Anders dan mijn moeder begeef ik mij wel normaal onder de mensen. Ik ga uit. Spreek makkelijk met deze en gene wanneer we elkaar enigszins kennen en liggen. Niet dat ik veel hechte contacten opbouw. Niet dat ik iedereen in het café of op straat de oren van de kop klets. Ik zit in elk geval niet hele dagen thuis.



Voor de dood heb ik geen angst. Noch voor mijn eigen dood noch voor die van anderen. Het is onderdeel van het leven. Mijn eigen dood zie ik als een soort van ‘bevrijding’ tegemoet. Ik probeer het niet meer te bespoedigen via zelfmoordgedachten. Tenminste, zolang de status quo van het geen gegarandeerde afdoende methode voorhanden hebben intact blijft. Dat verandert niet zo snel. Ondertussen let ik zelfs beter op mijn gezondheid. Ik denk aan de vitamines, ga op tijd naar bed. Nachtbraken op SM-feestjes in het weekend is al een paar jaar passé. Ik masturbeer zelfs minder dan ik jarenlang gewend ben geweest te doen. Ik ben benieuwd hoe mijn einde gaat  komen. Het mooiste scenario is te sterven in je slaap. Je gaat naar bed, valt in slaap en wordt nooit meer wakker. Helaas ben ik ondanks een gezondere levensstijl nog steeds een bar slechte slaper. Gemiddeld geraak ik ‘s nachts een keer of drie wakker. Op die manier wordt dit geen realistisch scenario. Ander favoriet scenario: stel ik weet op een gegeven moment hoeveel uur ik nog heb te leven en ik ben voor de rest goed van geest. Hoe zou ik die laatste uren doorbrengen? Terugkijken op mijn leven? Onvermijdelijk. Maar, de allerlaatste drie uur zou ik reserveren voor het nog eenmaal bekijken van ‘The unbearable lightness of being’. De film die ik onbewust, ik denk er echt niet iedere dag aan, altijd in mijn leven heb meegedragen.



Ik ben voorstander van euthanasie. Een euthanasieverklaring heb ik dan weer niet ondertekend. Niet in Nederland, niet in België. Dat krijg je als je het medische circuit vermijdt. In acht jaar Antwerpen ben ik zegge en schrijven één keer naar de huisarts geweest. Voor een administratieve handeling. Ik ga uit van het herstellend vermogen van mijn lichaam bij een griep of ander ongemak. Pillen slik ik per definitie niet. Geen chemische rotzooi in mijn lichaam. Ik hoop ten slotte dat ik niet aan mijn einde kom door opnieuw zo’n stomme val als op mijn achtste. Valpartijen doen zich elk jaar meermaals voor. De ene keer met meer schade aan have en goed dan de andere keer. Ik kon er wat van in Rotterdam en ook al moet ik in Antwerpen extra op mijn hoede zijn vanwege de abominabele bestrating her en der en de vele kasseien: ook hier ga ik eens in de zoveel tijd onderuit. De enige serieuze kwetsuur die ik bij alle valpartijen sinds mijn handicap heb opgelopen, was een gebroken wijsvinger, december 1996. Het kan erger.

 Tot zover deze sneak peeks uit mijn autobiografie. Er is weliswaar ook nog een epiloog, maandag 20 oktober pas geschreven!, maar die blijft een verrassing!

maandag 27 oktober 2014

Sneak peeks uit mijn autobiografie: hoofdstuk 6

Nu eens geen vrouwen of seks. Hoofdstuk 6 handelt over mijn werkende leven.  Nu ja, werkend. Zoals bekend, zijn er lange periodes waarin ik niet werk. Buiten mijn schuld. Dat ik zo moeilijk aan een  job geraak eenmaal ik weer werkloos ben, heeft meerdere redenen: mijn beperking, de economie, maar toch vooral ook mijn opleidingen. Ik had na HAVO en VWO verstandigere studiekeuzes moeten maken.

Allez, it's no use crying over spilt milk. Wat ik hier in Antwerpen zo'n beetje heb gedaan aan werk, weten de vaste bezoekers van dit blog. Ik neem jullie nu mee naar het relaas over hoe ik aan mijn eerste betaalde job kwam en hoe dat bepaald geen succes werd.



Eind 1995 besliste ik dat het zo niet langer door kon gaan. Ik moest aan de bak zien te komen en schakelde de bemiddeling van de ANGO in. Dit is een organisatie die mensen met een handicap op velerlei gebieden bijstaat. Ook met het zoeken naar werk. Ik kreeg een consulente toegewezen die met mij aan het brainstormen ging. ‘Ik zou niet direct bij het bedrijfsleven solliciteren. Probeer het eens bij scholen, bibliotheken. De non-profit sector neemt makkelijker mensen zoals jij aan. Stel eerst voor dat je stage wilt lopen. Daar verdien je niet veel mee, maar je doet wel werkervaring op. Als ze dan zien wat je kunt, krijg je wellicht een vast contract aangeboden.’ Zo zouden we het doen. Ik had vrij snel succes. Begin 1996 kon ik stage lopen op de Hogeschool Rotterdam & Omstreken. Een docent had een nieuwe opleiding opgezet en daarvoor een lesboekje samengesteld. Zijn Nederlands was erbarmelijk. Of ik dat kon herschrijven. Dat bleek niet zo moeilijk. Men was tevreden over mijn werk en over mijn houding. Je zou het niet zeggen na alles wat ik hiervoor over mezelf heb verteld, maar ik heb een zeer meegaand karakter. Op mijn werkplek, waar dat ook moge zijn, loop ik praktisch nooit zichtbaar terneergeslagen of met de bokkenpruik op rond. ‘Je bent altijd vrolijk zo ’s ochtends vroeg’, hield een collega bij mijn één na laatste werkgever in Antwerpen, Electrabel, me voor. Hijzelf was steevast het aller vroegst aanwezig. ‘Die vrolijkheid is toneel’, antwoordde ik hem. En dat is het. Hoe diep ik ook in de put kan zitten, hoe klote ik me ook voel. Op het werk zal men daar nooit erg in hebben. De collega wilde het niet geloven. Afijn, terug naar de Hogeschool Rotterdam. Men bood mij een vast contract aan voor de post van Office Manager. Het zou mijn taak worden de zojuist gestarte opleiding – Small Business,  hierin worden studenten binnen vier jaar klaargestoomd voor het ondernemerschap – bij het bedrijfsleven onder de aandacht te brengen. De studenten moesten immers stage lopen en projecten in de praktijk kunnen uitvoeren. Ik twijfelde. Een commerciële job waarvan ik wist dat die me niet bij voorbaat lag. De consulente vond dat ik het moest proberen. Ik nam de job aan en kreeg niet lang daarna spijt.



We praten over het jaar 1996, net na de zomervakantie. Paul, de initiator van het hele gebeuren en mijn directe baas, en ik hebben een gesprek. ‘Ik wil dat je aan het einde van het schooljaar 40 bedrijven hebt binnengehaald.’ Ja leuk. Ik wil ook zoveel. Hoe moet ik dat bereiken? Ik schrijf een mailingbrief en doe die in dat jaar verscheidene keren in grote getale de deur uit. Dan is het wachten op een reactie die mondjesmaat binnenkomt. Onvoldoende dus. ‘Je zult bedrijven ook moeten bellen’, oppert slimmerik Paul. Ja, dat kan ik ook bedenken. Als niemand positief op die brief reageert, wie zegt mij dan dat ze tijdens een telefoongesprek ineens interesse tonen? ‘Goedemorgen mijnheer, met Johan Peters van de Hogeschool Rotterdam. Ik heb u … weken geleden een brief gezonden over de opleiding Small Business …’ ‘Brief? Ik heb geen brief gezien.’ ‘Oh, zal ik u dan uitleggen …’ ‘Nee hoor. Geen tijd, geen interesse. Dag mijnheer.’ Zo gaat het heel vaak. Ik haat dat soort verkoopgesprekken per telefoon, ik haat telefoneren sowieso (corticaal stotteren), en die haat is tijdens dit jaar op de Hogeschool ontstaan. Ik haal bij lange na niet het aantal van 40 opdrachtgevers. Paul is not amused en het is snel duidelijk dat ik geen contractverlenging hoef te verwachten. Wat ik absoluut niet wil. Zomer 1997 is het gedaan als Office Manager. Eens, maar nooit meer. De laatste drie maanden van het jaar heb ik mijn eerste en enige uitzendbaantje ooit via Randstad. PR- en redactiewerk bij het Bedrijfschap Slagersbedrijf te Rijswijk. De uitzendconsulent kent het hoofd daar persoonlijk en dat helpt. Men is tevreden, maar heeft geen financiën mij langer te behouden. Wat ergens goed uitkomt, want sinds 2000 ben ik vegetariër. Een grote vleeseter ben ik in heel die negentiger jaren niet geweest.
 

zondag 26 oktober 2014

Sneak peeks uit mijn autobiografie: hoofdstuk 5

Dit hoofdstuk is zo goed als geheel gewijd aan SM. Zowel de actieve als de psychologische component komt aan bod. Wat de actieve SM betreft, hoef je niet bang te zijn dat ik 26 jaar SM-sessies ga samenvatten. Zou een beetje té zijn, niet :-)? In onderstaande alinea's licht ik alvast wel een tipje van de sluier op over het hoe en waarom van mijn SM-beleving.


Ik ben deze eeuw jarenlang behoorlijk fanatiek geweest in mijn SM-beleving. Hoe meer je ermee bezig bent, hoe groter de kans dat je steeds dieper gaat. Zo is het althans bij mij verlopen. Zo verloopt het bij veel mensen. SM begint vaak onschuldig. Ook jij zou er zo mee kunnen beginnen. Ja jij! Heb je ooit de film 9 ½ Weeks met Kim Basinger en Mickey Rourke gezien? Dan weet je wat ik bedoel. Het is helemaal niet zo moeilijk ermee te beginnen. Experimenteer zelf eens met je partner. Alles wat je nodig hebt in den beginne is een duidelijke rolverdeling. Wie is de dominant(e)? Wie is de sub? Houd het simpel. Neem wat soepel touw en iets dat kan dienen als blinddoek. De dominant(e) bindt de sub met het touw aan de spijlen van het bed vast. Doe hem/haar vervolgens de blinddoek voor. De sub is reeds machteloos en je kunt van alles met hem/haar doen. Plagen, strelen. Met je handen, met ijsblokjes, met een veer. Voor de meer gevorderden: kaarsvet op het lichaam laten druppelen. Veel is er niet voor nodig en ik maak me sterk dat menig koppel weleens fantasieën in die richting heeft. Sommige mensen laten het daarbij. Anderen experimenteren verder en gaan steeds dieper in hun respectievelijke rollen op. Het spel wordt heftiger, harder. Er valt al eens een flinke pets met een zweep of met de hand. Knijpers of klemmetjes komen om de hoek kijken. Men bezoekt een SM-party. En er zijn mensen die uiteindelijk uitkomen op een seksleven waarin SM een grote zo niet allesbepalende rol speelt. In het extreme geval eindigend in een 24/7-relatie. 24/7 is een term die aanduidt dat een koppel in principe constant in een SM-rolverdeling verkeert. Ben je dan een vreemde vogel? Ja, als je de werkelijkheid van het alledaagse leven daardoor uit het oog verliest. Ik ken weinig literatuurvoorbeelden van mensen die erin slagen een 24/7-relatie jaren te laten voortduren. Uiteindelijk werk je elkaar op de zenuwen en verwacht de één steeds meer (onrealistische) dingen van de ander. Dat is het gevaarlijke aan SM. Je moet te allen tijde je eigen grenzen in de gaten houden. Je constant afvragen waar je mee bezig bent en hoeveel verder je wilt gaan.



Mijn allereerste SM-ervaring, ik ga niet voor de eerste keer terug in de tijd, geldt trouwens als een schoolvoorbeeld van wat een Meesteres met je kan doen. Ze noemde zichzelf Anita,  was blond en mollig en werkte in een privéhuis aan de Heemraadssingel te Rotterdam. Op zaterdagavond 15 juli 1988 bel ik aan. ‘Uh, ik wil graag SM.’ ‘Dat is goed. Kom maar boven.’ Boven is op zolder waar zich een compleet ingerichte SM-ruimte bevindt. Ik ben behoorlijk zenuwachtig en onzeker. Het is de allereerste keer dat ik mij hieraan waag. Ik heb geen andere kennis dan mijn eigen fantasieën die zijn gebaseerd op drieregelige advertenties in de krant. Het is zelfs mijn allereerste seksuele ervaring. ‘Het is toch niet gevaarlijk?’, vraag ik haar terwijl we de trap oplopen. ‘Nee hoor, wees maar niet bang.’ Ik betaal voor een uur en kleed me uit. Zij laat me in dat uur kennismaken met enkele facetten van het spel. Ik moet haar laarzen kussen, ze geeft me de zweep. Niet al te hard. De climax volgt op het eind. Ik lig vastgebonden op de bondagebank. Ze pakt een dildo en neukt me ermee in mijn anus. Ik kom klaar met een geweldig orgasme. Voor het eerst van mijn leven word ik in mijn anus genomen en ik word er verdraaid zo geil van dat ik klaarkom. Iets wat daarna niet meer gebeurt. Het anaal genomen worden wel, het gelijktijdig klaarkomen niet. Het was ‘beregeil’ (favoriete uitdrukking van Amanda) en ik ervoer het als de normaalste zaak van de wereld zo klaar te komen (aan masturberen, deed ik op die leeftijd geeneens!).



Fysiek heb ik mijn grenzen tijdens een SM-spel. Het heeft bijvoorbeeld geen zin te  proberen mij omhoog te takelen of aan een ingewikkelde constructie vast te zetten. Dat laat mijn lichaam niet toe. Het beweegt nu eenmaal snel alle kanten op.  Spanking, caning, de zweep. Ik verdraag het. Goed hard als het moet. Toch roep ik altijd eerder om genade dan een doorgewinterde slaaf. Me tot moes laten slaan zodat je achterwerk helemaal pimpelpaars ziet, is dus onder normale omstandigheden ook niet aan mij besteed. Het blijft in de regel bij enkele sporen die een goede week zichtbaar zijn. Dan zit ik aan de top van mijn incasseringsvermogen. Dat incasseringsvermogen is behoorlijk opgeschroefd in al die jaren, wat niet van de ene op de andere dag ging. Wilde ik dat werkelijk? Dit is een strikvraag!



Bij mij draaide de pijnbeleving vanaf dag 1 rondom het in staat zijn mijn pijngrens te verleggen. Ondanks mijn handicap en mijn fysieke bouw. Ik ben zeer slank. Heb geen grammetje overtollig vet. Mijn manier van voortbewegen, vreet energie. Ik kan eten wat ik wil, een dokter zal nooit obesitas bij mij constateren. Desondanks kan ik nu redelijk veel pijn doorstaan. Niet dat ik het op het moment zelf als uiterst prettig ervaar. Veel onderdanigen geraken in een soort van roes door pijn. Sub-space in SM-jargon. Oorzaak is de aanmaak van endorfinen in de hersenen. Daardoor zou je pijn beter kunnen doorstaan. Vergeet die theorie wat Johan betreft. Pijn voelt voor mij aan als pijn en is op het moment zelf niet fijn. Geen roes, geen sub-space. Achteraf wel een gevoel van trots. Trots dat ik de pijn heb doorstaan. Dat ik het lang heb kunnen uithouden voordat ik om genade vraag. Genade wil zeggen dat je aan de top van je incasseringsvermogen zit. Pijn aan tepels via klemmen, kaarsvet of gewoon de handen van de Meesteres die er pijnlijk aan draaien/trekken. Pijn aan ballen en lul door klemmen, kaarsvet of de zweep. Pijnlijke rode billen dankzij zweep, plak of cane (Spaans rietje). Ik heb het in steeds grotere proporties mogen ontvangen. Ik bleef mijzelf uitdagen. Begin januari 2012 had ik het echter gehad met het mezelf fysiek blijven uitdagen.
 

zaterdag 25 oktober 2014

Sneak peeks uit mijn autobiografie: hoofdstuk 4

Op hoofdstuk 4 ben ik het meest trots. Omdat ik mijn gedachten over zware onderwerpen als leven en dood en religie op een heldere manier heb weten uiteen te zetten. Met God heb ik al van jongs af aan een ambivalente verhouding. In 1993 ging ik mij voor het eerst serieus in het christendom verdiepen dankzij Jeannette. God hebbe haar ziel. Ze stierf mei 2009 aan kanker. Weer een teken voor mij dat God niet bestaat. Als die namelijk wel bestaat en beslist over leven en dood, maakt hij toch verkeerde keuzes.

In dit hoofdstuk heb ik het over mijn zelfmoordneigingen, de dood van Jeannette, de dood van mijn vader (eveneens kanker) en mijn gedachten over God. In de passages hieronder voer ik Jeannette nog levend op, begin 1994, en vergelijk ik mijn houding tegenover God toen met die van 20 jaar later ten tijde van Roemeense date.



Zijn we eigenlijk niet allemaal God of willen we eigenlijk niet allemaal voor God spelen? Over welke God hebben we het eigenlijk? De christelijke God? Allah? Jaweh? De vader, de zoon en de heilige geest ineen? God is een creatuur dat de mens in zijn leven heeft geïntroduceerd om houvast te hebben. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik achter die constatering sta. Maar mensen: God biedt geen houvast! Tenminste, niet de houvast waarmee je werkelijk verder komt in het leven. Tot die conclusie kom ik reeds zomer 1993.



De verliefdheid op Jeannette. Haar religieuze achtergrond, haar enthousiasme over God en Jezus, brengen mij ertoe me eindelijk eens serieus in het christendom te verdiepen. Ik koop een Bijbel en begin met lezen. God schiep de aarde in zeven dagen. Dat heeft vast langer geduurd. Verhalen over Abraham met zijn meerdere vrouwen. Over zijn slavin. Over incestueuze relaties. Hallo! Ik spoor wellicht niet met mijn masochistische obsessies, maar de Bijbel - toch Gods wegwijzer in het leven - geeft nou niet bepaald het goede voorbeeld. Dan die arme Job. Wat die man allemaal niet moet doorstaan. En wat had Jezus nu eigenlijk tegen de Farizeeërs? Nee, ik kan me niet verenigen met wat ik lees en de Bijbel eindigt vooralsnog voor minstens de helft ongelezen ergens in een la. Begin 1994 ben ik voor het laatst bij Jeannette. Ouders zijn de hort op. Aardige mensen, alleen zo religieus als wat. Statenbijbel prominent op tafel. Boeken over religie in de kast. Het is zondag, dus ze wil naar de kerkdienst. Of ik het bezwaarlijk vind mee te gaan? Neuh, ik wil het wel meemaken. ‘Baptisme is een vrolijk geloof.’ Oké. Er wordt veel gezongen tijdens de dienst. Ik heb nooit een mooie zangstem gehad en ben allesbehalve Bijbeltekst vast en mompel wat mee. Jeannette zingt uit volle borst en uit volle overtuiging. De voorganger gaat in op het Israëlisch-Palestijnse conflict en trekt duidelijk partij voor de Israëliërs. De Palestijnen vergelijkt hij met de Farizeeërs. Met hen liep het slecht af. Ik vind het een veel te kort door de bocht verhaal en heb er later op de avond na een ratatouillemaaltijd een stevige discussie over met Jeannette. ‘Het hele conflict in het Midden-Oosten kun je niet eenvoudig zo zwart-wit schetsen. Ook Israël begaat fouten.’ ‘Politiek, daar houd ik mij niet zo mee bezig. Het gaat mij om mijn liefde voor de Heer.’ Voilà. Zo wordt gelovigen nu van alles wijs gemaakt zonder dat ze er ook maar serieus over (hoeven) nadenken.



Ik weet het. Bovenstaande alinea’s over mijn visie op God en religie zijn net zo goed veel te kort door de bocht. Ik heb heus veel gelezen over religie. Ik schreef op de middelbare school een werkstuk over Maarten Luther en het protestantisme. Ik heb weet van het rooms-katholicisme, de islam en het joodse geloof. Religie en Johan matchen uiteindelijk gewoon niet. Hoe graag ik het misschien juist wel zou willen. Het leven zou er in ieder geval een stuk eenvoudiger op zijn geworden. Geloof in de Heer en alles komt goed. Jeannette was er heilig van overtuigd dat ze in de hemel terechtkwam. De hele uitvaart – ik was niet aanwezig, maar heb verslagen op haar blog erover gelezen – stond ook in dat teken. Ik was de eerste dagen na haar dood allesbehalve daarvan overtuigd en had het daardoor behoorlijk moeilijk met haar dood. Een paar dagen later wist ik hoe ik op haar dood moest reageren. Ja, ze is in de hemel! Ze was er zo stellig van overtuigd dat God haar had geroepen. Het moet gewoon waar zijn. Voor Jeannette. Voor haar familie. Jeannette is in de hemel en het is goed zo. Al blijf ik me afvragen wat ze direct na het overlijden gezegd of gedacht zou hebben bij de constatering dat ze niet in de hemel terecht was gekomen, maar dat ze in een kist onder de grond lag en verder niets. Niet dat ze iets heeft kunnen denken of zeggen. Stel.



Ik kom nooit helemaal van God en religie los. Met Roemeense date was ik er ook dikwijls over in de weer tijdens mijn bezoeken. Roemenen zijn een gelovig volk en zij vormt daar geen uitzondering op. Ze had het geloof nodig om haar werk vol te kunnen houden,  hield ze me altijd voor. Dat begrijp ik op zich heel goed. Ze vindt het jammer dat ik niet geloof. Ik heb haar om te beginnen over de ziekte en het overlijden van Jeannette verteld. Dit was geen alles beslissend motief voor haar, want twee bezoeken later stelde ze weer de vraag waarom ik niet geloof. Ik ben uiteindelijk met Darwin en zijn evolutietheorie op de proppen gekomen. Ze heeft die theorie niet bestudeerd, ondanks het feit dat ik haar aardig wat digitaal leesvoer erover heb doen toekomen. 21 Jaar na aanschaf van de Bijbel haalde ik ‘m begin 2014 weer uit de la. Ik wilde begrijpen wat er door het hoofd van Roemeense date gaat. Waarom ze blijft proberen kracht te putten uit haar geloof, terwijl ze zich een paar keer heeft laten ontvallen dat ‘geloof voor de zwakkeren is’. Dit keer begon ik van achteren naar voren te lezen. Eerst de brieven van Paulus en de andere apostelen. Daarna de evangeliën en ten slotte het Oude Testament. Ik ben voorlopig niet van gedachten veranderd. Integendeel. Ik begrijp nu wel beter wat ik lees door me voor te houden dat het allemaal mondeling overgeleverde geschiedenis is uit diverse bronnen. Voor onze jaartelling en daarna hadden de mensen niet de beschikking over de kennis die wij nu hebben. Het is logisch dat ze vasthielden aan een God. Iemand aan wie onverklaarbare gebeurtenissen kunnen worden toegeschreven. Dat we in 2014 moeten blijven geloven dat Jezus met enkel vijf broden duizenden monden voedde, gaat er bij mij in elk geval niet in. Goochelaars lichten de boel altijd op. Net zoals Roemeense date aan haar geloof blijft vasthouden, doe ik dat evenzeer met mijn niet geloven. Van mij mag iedereen geloven wat hij/zij wil, zolang ze ermee uit mijn directe levenssfeer blijven. We respecteren elkaar in onze keuzes.
 

vrijdag 24 oktober 2014

Sneak peeks uit mijn autobiografie: hoofdstuk 3

De meeste vrouwelijke hoofdpersonen in mijn autobiografie keren in meerdere hoofdstukken terug. De één meer dan de ander. Sommigen krijgen echter veel ruimte in een bepaald hoofdstuk. Zoals Bulgaarse en Roemeense date in hoofdstuk 3. In de epiloog figureren zij zelfs exclusief. Uit die epiloog publiceer ik overigens niets, want hij is maar twee pagina's lang. Hij bevat wel een grote verrassende wending.

Goed, Roemeense date. Jullie weten al dat ze uit Antwerpen weg is sinds halverwege juni dit jaar. De acute reden daartoe heb ik nooit vermeld en geef ik ook nu niet online prijs. Te privé om op het internet te gooien. Je leest het maar na in mijn autobiografie, als je nieuwsgierig bent. Onderstaande alinea's handelen over de laatste anderhalve week dat zij nog in Antwerpen was en over haar vertrek. Ja, ik zat aardig in mijn rats - het voelde alsof ik in een thriller was beland - en dan krijgt een mens vreemde gedachten. Ik wel tenminste. Die gedachten zijn dankzij het happy end snel in rook opgegaan, dus nee: ik heb geen psychologische hulp nodig. Het waren gedachten die vroeger vaker opdoken. Ook dat lees je gaandeweg wel in mijn autobiografie. De metafoor van de taart met de kers is overigens een belangrijk hedendaags leitmotiv doorheen de autobiografie. Die balk, ten slotte, is een gevolg van het knippen en plakken en krijg ik er niet uit. Sorry!


Gek genoeg  ben ik niet buitensporig nerveus of verdrietig wanneer ik vrijdag 6 juni voor de laatste keer heb afgesproken. Ik kan dan ook terugkijken op een goede voorbereiding. Er zijn vijf punten die ik wil meedelen/vragen. Verdeeld voor en na de seks. Ik werk mijn lijstje af en zij beantwoordt/bevestigt. Wat kan ik meer doen? Ik ken haar planning, weet hoe ze de laatste anderhalve week in België gaat invullen. Ze lijkt haar vertrek minutieus te hebben voorbereid. Fout kan het altijd gaan. Die gedachte blijft de hele resterende anderhalve week in mijn achterhoofd spelen. Ik moet hopen op het beste. Zodra ze op haar voorlopige bestemming is, neemt ze zo snel mogelijk contact op. Ik laat het haar een paar keer beloven. Het is angstig afwachten tot dinsdag 17 juni, dé dag. 







Ik weet hoe laat het vliegtuig vertrekt en landt. Tot 14:00 uur die 17e juni hoef ik mij geen illusies te maken dat ik iets van haar hoor. Daarna begint het zenuwslopende wachten. Uren glijden voorbij. ‘I will call you when I’m at the airport’, had ze in mei gezegd. Om 16:00 uur is ze echt wel van het vliegveld vandaan. Geen SMS, geen belletje. Ik hoor niets, ook niet tijdens België – Algerije. Tegen acht uur geloof ik er niet meer in. Om 20:45 uur stuur ik de vrijdag ervoor beloofde mail. Hij staat al gereed.

Ik slaap die nacht bar slecht. Ik ben niet bang dat er iets ergs is gebeurd. Ik weet dat ik mijn geduld moet bewaren. Ik kan het niet. Dit is te belangrijk voor mij. Het verschil tussen alles of niets. Tussen de dood of de gladiolen. Ik besluit snel te zullen flippen, mocht ik niks van haar horen. Mijn gedachten daartoe gaan van een bezoekje aan Bulgaarse date op donderdag – om netjes afscheid van haar te nemen (alsnog) voordat ik daadwerkelijk ga flippen - naar een goede manier om zelfmoord te plegen. Een taart zonder kers is niet genoeg voor mij.

Woensdagochtend vroeg is er geen mail, geen SMS. Mijn humeur wordt donkerder en donkerder.  Tijdens de vroege lunch vraag ik me af waarom, als ze me om wat voor reden dan ook niet meer wil contacteren (wat ik respecteer), ze dan haar e-mailadres niet deletet. Je kunt er immers donder op zeggen dat je via dat kanaal van Johan blijft horen. ‘Misschien hoor ik wat rond 11:30 uur’, spreek ik mijzelf moed in. Dat was de Antwerpse tijd waarop ze vaak op mijn SMS-jes antwoordde.

Verdomd! Rond 11:30 uur fluit mijn Smartphone naar me. Teken dat ik een SMS heb. ‘Hello dear Johan. This is xxx, I’m safe at xxx. Kisses.’ Dat ze zegt dat zij het is, is logisch. Ze zou me met een nieuw nummer contacteren. Ik reageer vriendelijk en zakelijk. Geen verwijten dat ze me weer een nacht van mijn nachtrust heeft beroofd door niet op dinsdag te sms-en zoals beloofd. Ik kan gewoon niet boos op haar worden. Je plet nu eenmaal niet moedwillig de kers op de taart. Hij staat erop!