Er is een fout opgetreden in dit gadget

dinsdag 28 oktober 2014

Sneak peeks uit mijn autobiografie: hoofdstuk 7

Het laatste, relatief korte hoofdstuk. Ik kijk terug op de eerste 45 jaar van mijn leven en alle vrouwen die in het boek de revue zijn gepasseerd. Wat heb ik geleerd uit mijn relatie met hen en wat neem ik daaruit mee voor de rest van mijn leven? Hoe zie ik de rest van mijn leven überhaupt voor me?

De titel van mijn autobiografie, 'Afscheid is nooit definitief', komt verschillende keren voorbij tijdens mijn reflecties in dit hoofdstuk.  En ik reflecteer aan een film uit 1988. De vaste bezoeker van dit blog weet direct de titel daarvan te roepen!



In het jaar 1988 krijg ik een cinematografische voorstelling van hoe mijn liefdesleven en seksleven zich zou gaan ontwikkelen. Dat weet ik nu in retrospectief. Ergens in de zomer van 1988 zie ik de film ‘The unbearable lightness of being’ van Philip Kaufmann voor het eerst. Het liefdesverhaal over Thomas en Tereza tegen de achtergrond van de Praagse Lente. Thomas is een losbol met vrouwen en versiert iedere vrouw die op zijn pad komt. Als reden geeft hij dat hij het leven ‘ondraaglijk licht vindt’. Tereza vindt zijn geflirt verschrikkelijk. Desondanks blijft ze van hem houden. Tegen het einde van de film, we zijn dan ver over de twee uur van de 170 minuten speeltijd, zijn ze eindelijk  gelukkig met elkaar. Eind goed al goed? Nee, want in de laatste scènes leren we dat ze beiden om het leven zijn gekomen door een eenzijdig auto-ongeluk. De remmen werkten niet meer.  



Ik kan me moeiteloos met Thomas vereenzelvigen. Niet dat ik het leven luchtig opvat. Integendeel. Ik kijk er met een veel te zwaarmoedige blik naar. Als ik mezelf eerder had geleerd zaken te relativeren, zou het mij heel wat makkelijker in mijn leven zijn afgegaan. Met relaties, met werk. Wat ik met Thomas gemeen heb, zijn de vele vrouwen in mijn leven. Het is niet iets dat ik bewust heb nagestreefd, al die verschillende seksueel getinte relaties. Zeker niet wanneer je de financiële kostprijs daarvan gaat berekenen. Die moet na 26 jaar zo langzamerhand de complete schuld van mijn vader bij zijn dood bedragen. Als het niet meer is. Anders dan bij hem het geval was, zit ik echter niet in de schulden. Thomas vond uiteindelijk zijn rust en geluk bij Tereza. Helaas voor hem, oké het is en blijft fictie natuurlijk, duurde dat niet lang. Of ik ooit het geluk en de rust bij een vrouw vind? Ik ga er niet vanuit. Roemeense date zal de kandidate niet meer zijn. Ook al blijft ze me mijn hele verdere leven lief. Andere kandidates zijn vooralsnog niet te bespeuren in mijn leven. ....



De verstandhouding met mijn moeder heeft zich langzamerhand gestabiliseerd. Ze zal mijn gedachtegang nooit begrijpen en dat blijft wederzijds. Haar hoop op mijn terugkeer naar Rotterdam verdwijnt nooit. Voor mijn vader heeft ze geen goed woord over. Dat vind ik normaal, gezien de schuldenberg. Ik zoek haar gemiddeld één keer in de vier weken op. Ze brengt dan steevast haar eigen dood ter sprake. ‘Weet je waar alle papieren liggen?’; ‘neem je nog spullen mee?; ‘ik zou niet weten wie je kunt vragen om het huis leeg te laten halen.’ Ja, dat wordt een grandioos probleem. Met die bekende ene linkerhand en een familie waar je geen reet aan hebt, kom ik niet ver. Ik zeg telkens dat ze wel 100 kan worden. Ze is nu 74. We hebben dus hopelijk nog even te gaan. Statistisch gezien, sterft zij eerder dan ik. Geen vader meer. Straks geen moeder meer. Kind van ouders die ik nooit heb begrepen. Zoon van ouders die mij tijdens hun leven niet konden vatten. Gelukkig is het altijd een wisselwerking van twee kanten geweest. Mijn jeugd, mijn relatie tot hen op latere leeftijd: het valt niet uit te vlakken. Zelfs niet na het overlijden van hen. Afscheid is nooit definitief.



Alleen op de wereld, daar ben ik trouwens niet bang voor. Ik ben altijd al een Einzelgänger geweest. Anders dan mijn moeder begeef ik mij wel normaal onder de mensen. Ik ga uit. Spreek makkelijk met deze en gene wanneer we elkaar enigszins kennen en liggen. Niet dat ik veel hechte contacten opbouw. Niet dat ik iedereen in het café of op straat de oren van de kop klets. Ik zit in elk geval niet hele dagen thuis.



Voor de dood heb ik geen angst. Noch voor mijn eigen dood noch voor die van anderen. Het is onderdeel van het leven. Mijn eigen dood zie ik als een soort van ‘bevrijding’ tegemoet. Ik probeer het niet meer te bespoedigen via zelfmoordgedachten. Tenminste, zolang de status quo van het geen gegarandeerde afdoende methode voorhanden hebben intact blijft. Dat verandert niet zo snel. Ondertussen let ik zelfs beter op mijn gezondheid. Ik denk aan de vitamines, ga op tijd naar bed. Nachtbraken op SM-feestjes in het weekend is al een paar jaar passé. Ik masturbeer zelfs minder dan ik jarenlang gewend ben geweest te doen. Ik ben benieuwd hoe mijn einde gaat  komen. Het mooiste scenario is te sterven in je slaap. Je gaat naar bed, valt in slaap en wordt nooit meer wakker. Helaas ben ik ondanks een gezondere levensstijl nog steeds een bar slechte slaper. Gemiddeld geraak ik ‘s nachts een keer of drie wakker. Op die manier wordt dit geen realistisch scenario. Ander favoriet scenario: stel ik weet op een gegeven moment hoeveel uur ik nog heb te leven en ik ben voor de rest goed van geest. Hoe zou ik die laatste uren doorbrengen? Terugkijken op mijn leven? Onvermijdelijk. Maar, de allerlaatste drie uur zou ik reserveren voor het nog eenmaal bekijken van ‘The unbearable lightness of being’. De film die ik onbewust, ik denk er echt niet iedere dag aan, altijd in mijn leven heb meegedragen.



Ik ben voorstander van euthanasie. Een euthanasieverklaring heb ik dan weer niet ondertekend. Niet in Nederland, niet in België. Dat krijg je als je het medische circuit vermijdt. In acht jaar Antwerpen ben ik zegge en schrijven één keer naar de huisarts geweest. Voor een administratieve handeling. Ik ga uit van het herstellend vermogen van mijn lichaam bij een griep of ander ongemak. Pillen slik ik per definitie niet. Geen chemische rotzooi in mijn lichaam. Ik hoop ten slotte dat ik niet aan mijn einde kom door opnieuw zo’n stomme val als op mijn achtste. Valpartijen doen zich elk jaar meermaals voor. De ene keer met meer schade aan have en goed dan de andere keer. Ik kon er wat van in Rotterdam en ook al moet ik in Antwerpen extra op mijn hoede zijn vanwege de abominabele bestrating her en der en de vele kasseien: ook hier ga ik eens in de zoveel tijd onderuit. De enige serieuze kwetsuur die ik bij alle valpartijen sinds mijn handicap heb opgelopen, was een gebroken wijsvinger, december 1996. Het kan erger.

 Tot zover deze sneak peeks uit mijn autobiografie. Er is weliswaar ook nog een epiloog, maandag 20 oktober pas geschreven!, maar die blijft een verrassing!

Geen opmerkingen: